Blokfluit, geschiedenis en ontwikkeling

De blokfluit is een houten blaasinstrument met een labium. De blokfluit is voorzien van een mondstuk om het aanblazen te vergemakkelijken, en behoort daarmee tot de bekfluiten. Het mondstuk heeft een cilindrische boring waarin het blok (vandaar de naam blok-fluit) van een zachtere houtsoort is aangebracht. Het blok laat een smalle spleet vrij waardoor de lucht op het labium gericht wordt. Het zachtere hout van het blok maakt de opname van ademvocht mogelijk wat de bespeelbaarheid ten goede komt.




In 1990 werd in Duitsland een pijp van vogelbot gevonden. Deze pijp was 12,6 cm lang en er waren handmatig drie gaten in gemaakt. Uit onderzoek bleek dat de pijp ongeveer 35.000 jaar oud was en dat hij waarschijnlijk gebruikt werd om muziek op te maken. Deze pijp wordt daarom ook wel bestempeld als “de oudste fluit”. Deze fluit lijkt overigens nog niet erg veel op de blokfluit zoals wij die tegenwoordig kennen. De eerste fluiten met een blok werden namelijk pas vele duizenden jaren later gemaakt.

Fluiten in het algemeen behoren tot de oudste muziekinstrumenten en werden al in de prehistorie aangetroffen. Veel culturen kennen hun eigen varianten zoals de dvojnice uit Dalmatië, een dubbelfluit. Er zijn principieel twee manieren van aanblazen: recht via een mondstuk, de bekfluiten, en dwars zonder mondstuk, de dwarsfluiten, waartoe bijvoorbeeld ook de panfluit behoort.

blokfluit
blokfluit

Beide versies hadden waarschijnlijk oorspronkelijk een vingerzetting gebaseerd op zes vingergaten, zoals dat vandaag de dag bij de Ierse tin whistle nog steeds het geval is. Ook de traverso zoals deze vóór de uitvinding van de moderne dwarsfluit door Theobald Böhm gebouwd werd, was op dit ontwerp gebaseerd.

We weten in elk geval zeker dat in de middeleeuwen de blokfluit al werd gespeeld. Het enige verschil was, dat de blokfluit toen uit één stuk hout werd gemaakt. Dit weten we, omdat blokfluiten staan afgebeeld op schilderijen uit die tijd. Het oudste instrument dat bewaard is gebleven, is gevonden in Dordrecht. Het lag in de funderingen van het Merwede huis, een heel oud huis. Het huis was bewoond tussen 1335 en 1418, daarna niet meer door overstromingen.

Dat betekent dus dat die blokfluit ook zo oud moet zijn! Hij ziet er niet meer zo mooi uit, is eigenlijk behoorlijk kapot en er kan dus niet meer op gespeeld worden. Dit was ook nog geen echte blokfluit want hij had nog geen blok. De oudste echte blokfluit dateert uit de tweede helft van de veertiende eeuw.

Deze fluit werd in 2005 in Tartu, Estland gevonden. Het instrument is gemaakt uit esdoornhout en het heeft een blok van berkenhout. Er zitten zeven vingergaten in, die zich allemaal recht onder elkaar bevinden. Hierdoor kon de bespeler van de fluit zelf kiezen of hij zijn linker- of rechterhand als onderste hand gebruiken wilde.




De echte blokfluit onderscheidt zich van het ontwerp met zes gaten doordat ze een duimgat voor de linkerduim bezit en veelal een achtste gat voor de rechterpink. Dit ontwerp is duidelijk een stuk jonger. De voorlopers van de moderne blokfluit stammen mogelijk uit de 14e eeuw.

Zij worden echter pas echt, en dan ook uitzonderlijk, populair vanaf 1500. Dit hing samen met de opkomst van de gegoede burgerij en de verspreiding van muziek in gedrukte vorm. In 1511 en 1535 verschenen de eerste boeken over de blokfluit respectievelijk geschreven door Sebastian Virdung en Silvestro Ganassi.

De blokfluit was toen ook erg populair in Italië. Een heel belangrijk lesboek uit de renaissance tijd komt uit Venetië: ‘Opera intitulata la fontegara’ van Sylvestro Ganassi. Het is geschreven in 1535 en er wordt in beschreven hoe je de muziek mooier kunt maken met versieringen.

Dit was heel gebruikelijk in die tijd. Dit boek is zo bijzonder omdat dat het eerste boek van dit soort is. Het is echt bedoeld voor de blokfluit. Daarna zijn er nog een heleboel van dit soort boeken uitgegeven. Ook voor andere instrumenten die in de 16e eeuw populair waren.

In de 15e en 16e eeuw was de blokfluit een heel populair instrument geworden. Men had in die tijd uitgevonden dat je van hetzelfde instrument verschillende maten kon maken. Dit noem je instrumenten families. Er waren een heleboel verschillende instrumenten families: die van de gamba’s, de dwarsfluiten, de kromhoorns (kromme rietinstrumenten die heel nasaal klinken), hobo-achtige instrumenten en cornetten.

Aan het begin van de 16e eeuw begon de instrumentale muziek zich steeds verder te ontwikkelen. Er verschenen in die tijd ook de eerste didactische muziekboeken. Hierin werd ook uitgebreid beschreven hoe een blokfluit bespeeld moest worden.

Uit deze tijd stammen ook de eerste blokfluiten met een bereik van bijna twee octaven. Deze instrumenten hebben een binnenboring die ongeveer cilindrisch is, wat karakteristiek is voor deze tijd. Er stammen uit de zestiende eeuw echter vrijwel alleen maar grote fluiten, aangezien de kleinere fluiten allemaal vergaan zijn.

In de zeventiende eeuw werd de blokfluit steeds populairder. In verschillende landen in Europa worden blokfluiten gebouwd, en wordt over fluiten geschreven. Dat de blokfluit steeds meer gebruikt wordt, blijkt ook uit het feit dat bij de begrafenis van koningin Elisabeth I van Engeland door de Bassano broers fluit gespeeld wordt.

Er bestaan in die tijd blokfluiten in verschillende maten, variërend van een zogenaamde “Klein Fl`ttlin” in G’ tot een “Gro8bass” in F’. Deze fluiten hebben onderin nog steeds twee gaten, zodat men zowel de rechter- als de linkerhand onder kan houden.

Ook bestaan de fluiten nog allemaal uit één stuk. Vooral de kleinere blokfluiten werden nog steeds uit één stuk gemaakt, de bassen uit twee of soms drie delen. De fluiten uit deze tijd lijken een beetje op jouw eigen blokfluit. De muziek die men toen speelde, was ook geschreven voor instrumenten families. Het klinkt het beste als je het speelt op 1 soort instrument, waarvan je verschillende groottes hebt.

Het verschijnsel instrumentfamilies werd veel beschreven in boeken in die tijd. De boekdrukkunst was net uitgevonden en er ontstond een soort mode om lesboeken uit te geven. Hierin worden instrumenten beschreven en wordt verteld hoe je moet spelen.




Het maken van versieringen in de muziek werd steeds verder uitgebreid. Er werd geïmproviseerd op bekende liedjes, zoals dat nu met popmuziek en jazz wordt gedaan. Deze traditie was in heel Europa doorgedrongen.

In 1647 werkte in Utrecht een blinde organist (Jacob van Eyck) die ook prachtig blokfluit kon spelen. Hij kreeg een contract voor het spelen van alle kerkorgels en carillons in Utrecht, op voorwaarde dat hij ‘s avonds de mensen zou vermaken met zijn schitterende blokfluitspel. Hij was een ware meester in het versieren en omspelen van bekende liedjes.

Zijn werk werd uitgegeven in een boekje op zakformaat. Zo kon een heer het in zijn zak stoppen en een dame verrassen met een mooi liedje. ‘Der fluiten lusthof’ (de titel van dit boekje) is nog steeds voor blokfluitisten één van de belangrijkste verzamelingen muziek.

De overgang naar blokfluiten in twee of drie stukken vond plaats in de tweede helft van de zeventiende eeuw, toen de familie Hotteterre de opdracht kreeg de blokfluit opnieuw te bewerken. Als resultaat hiervan kreeg de blokfluit warme, zachte klank.

De familie Hotteterre hield zich vooral bezig met houten blaasinstrumenten. In 1685 maakten zij een ‘nieuwe’ blokfluit. Deze bestond uit 3 delen en was niet helemaal recht van binnen. ( de oude blokfluiten waren van binnen helemaal recht, net als de binnenkant van een buis).

Zij maakten de blokfluit breder vanboven en smaller aan de onderkant. De klank werd hierdoor wat zachter en ronder. Dit paste beter bij de muziek uit die tijd. De nieuwe blokfluit was ook mooier te versieren, omdat hij nu uit 3 delen bestond. Alle blokfluit makers uit heel Europa namen de gewoonte over van het maken van deze fluiten.

De fluiten zagen er steeds mooier uit. Er zijn nog voorbeelden (Haags Gemeentemuseum) van instrumenten met prachtig houtsnijwerk en rijkelijk versierd zilver. Samenspel met instrumenten families was in die periode uit de mode. Men speelde nu samen in gemengde ensembles. Bijvoorbeeld met clavecimbel, luit en viola da gamba.

De eerste helft van de achttiende eeuw wordt ook wel bestempeld als de bloeiperiode van de blokfluit. In deze periode kreeg de fluit dan ook betekenis als solo-instrument. Dit geldt met name voor de sopraan- en alt fluit. De tenor en de bas waren een stuk minder geliefd. De fluiten werden in deze tijd voor het eerst van Europees Buxushout gemaakt en niet zelden versierd met ringen van ivoor. Voor zeer welgestelde fluitisten werden fluiten ook wel volledig van ivoor gemaakt.

Blaasinstrumentenbouwers waren in deze periode vooral actief in Nederland, Engeland en Duitsland. Bekende bouwers uit deze tijd zijn bijvoorbeeld Steenbergen, Terton, Denner, Stanesby en Bressan. De fluiten van deze bouwers kenmerken zich vaak door de prachtige versieringen van ivoor, goud en zilver die erop aangebracht zijn.

In de loop van de achttiende eeuw ontstaan er steeds meer symfonieorkesten, waarin geen plaats voor de blokfluit is. Hierdoor verdwijnt de blokfluit vrijwel geheel uit beeld. De blokfluit was hierin niet handig, omdat het moeilijk is op een blokfluit hard en zacht te spelen. Op een dwarsfluit is dat verschil veel gemakkelijker te maken. Dit instrument werd dus ook veel populairder en verdrong langzaam de blokfluit uit het muziek leven.

Er worden nog wel instrumenten gemaakt die op een blokfluit lijken, zoals een flageolet of Csakan.

Natuurlijk is de blokfluit nooit helemaal verdwenen. Maar niemand wist echt meer hoe je blokfluit moest spelen aan het begin van de 20e eeuw. Arnold Dolmetsch vond in een antiek winkel in Londen een oude blokfluit en ging erop spelen. Hij plakte het duimgat af met plakband, omdat hij niet wist waar het voor was!

Mensen hadden in deze periode meer interesse in het verleden en daarmee ook in de muziek uit het verleden. Op die manier werdt de blokfluit in het begin van de twintigste eeuw weer helemaal herontdekt. De familie Dolmetsch heeft bij deze herontdekking een grote rol gespeeld. Zo hebben zij bijvoorbeeld de dubbele boring uitgevonden.




Arnold Dolmetsch en zijn zoon Carl waren beiden in Frankrijk geboren maar woonden voornamelijk in Engeland. Arnold begon in 1919 met het maken van blokfluiten, naar voorbeeld van een Engels instrument uit de 18e eeuw. Carl Dolmetsch en andere leden van zijn familie waren ware virtuozen op hun instrument en moedigden op die manier anderen aan het ook te gaan proberen.

In de tijd na de oorlog heeft de blokfluit zich steeds meer ontwikkeld als muziekinstrument voor beginners. Veel muziekscholen geven kinderen tegenwoordig eerst les op een blokfluit, alvorens zij een ander instrument kiezen. De blokfluit wordt daarnaast ook nog steeds gebruikt als solo- instrument. Er bestaan een aantal muziekgroepen die verschillende soorten muziek op de blokfluit spelen

Door het gebruik van de blokfluit als ‘standaard’ instrument bij muziekles werd de blokfluit wel populair in bezit, maar niet in gebruik. De blokfluit werd hierdoor niet als serieus muziekinstrument gezien. Blokfluitisten en pedagogen als Kees Otten, Kees Boeke en Frans Brügge hebben dit imago met succes doorbroken.

Tegenwoordig vind je de blokfluit zelfs terug in zogenaamde contemporary of moderne muziek. Hierin spelen “vreemde klanken” een grote rol waarbij de blokfluit op een moderne manier word bespeeld. Door allerlei gekke dingen te doen krijg je soms hele maffe geluiden.

Deze kunnen een heel sterk effect oproepen. Zo is eigenlijk een heel nieuwe speeltechniek ontstaan naast de traditionele. Soms zie je zelfs geen noten meer op papier staan, maar allerlei vreemde tekentjes. De componist geeft daar dan een uitleg bij hoe je het moet spelen.





x

Mijn andere websites: TuinPlantenIndex.nl
Tekstschrijver4u.nl
Support Wiki | PixaBay.com